artikel

Hans Stegeman en Jan Jonker over de waarde van materialen in de circulaire economie

Innovatie

Eén van de belangrijke vragen in ons tijdgewricht is hoe we alles wat we gebruiken uit de natuurlijke leefomgeving zo kunnen organiseren dat het geen afval wordt. Dit denken en de ambitie die eronder zit noemen we de circulaire economie (CE). Alle grondstoffen en materialen zo goed en zo lang mogelijk gebruiken en hergebruiken speelt daarbij een belangrijke rol.

Hans Stegeman en Jan Jonker over de waarde van materialen in de circulaire economie
Schematische voorstelling Circulaire economie

Architect Thomas Rau en zijn vrouw Sabine Oberhuber hebben over dit onderwerp een boek geschreven, met als titel ‘Material Matters’. Door hen wordt een economisch model voorgesteld waarin we materialen niet meer bezitten maar alleen in bruikleen hebben. Ook moeten materialen rechten krijgen en een materialenpaspoort. Door dit alles wordt afval verleden tijd. Veel van de principes die zij gebruiken, zoals het product als dienst (PAAP) model en de verantwoordelijkheid van de gebruikte materialen bij de producent laten liggen hebben zij mede ontwikkeld en zijn inmiddels onderdeel van het denken over de CE.

De kracht van het boek is dat door de vele praktische voorbeelden de ‘ nieuwe economie’ levendig tot leven komt. Dat bij elkaar is een bron van inspiratie. Maar er zit wat ons betreft echter wel een grote ‘maar’ aan het betoog. Hoe aantrekkelijk ook, maar hoe gaan we die nieuwe economie nu met elkaar realiseren?

Verklaring van de Rechten van Materiaal

Centraal in het boek staat het idee van waardebehoud van grondstoffen. De aanname is dat door materialen rechten te geven, een identiteit, geborgd wordt dat deze materialen hun waarde behouden. Om dat te bereiken introduceren de auteurs de Verklaring van de Rechten van Materiaal. Waarde wordt daardoor gezien als iets objectiefs, iets intrinsieks, onvervreemdbaar en eigen aan een grondstof. Maar de waarde, ook van materie, is subjectief en kent meerdere dimensies. Hier worden onderscheiden de financiële en ecologische.

De financiële waarde van materialen wordt bepaald door een markt. Een markt is simpel gezegd: wat de gek ervoor geeft. De prijs van goud, waarvan vaak gedacht wordt dat deze en intrinsieke waarde vertegenwoordigd, kan behoorlijk fluctueren. Als de marktvraag er niet is, dan is er ook geen financiële waarde. Dat geldt natuurlijk misschien wel nog veel sterker voor gebruikte materialen. We noemen het in alledaags taalgebruik niet voor niets afval. Het vaststellen van de financiële waarde lukt dan niet door vast te stellen welke materialen er gebruikt worden, maar vraagt om het creëren van nieuwe markten voor reststromen die met zorg aandacht schenken aan waardebepaling. En zoals met elke markt gaat ook deze markt alleen werken als er voldoende vragers en aanbieders zijn.

De ecologische waarde wordt op een andere manier bepaald. Nut en noodzaak van materialen in het ecosysteem speelt daarbij een belangrijke rol. Zolang het gebruik van natuurlijke hulpbronnen binnen de grenzen van het herstelvermogen van de aarde blijft, is gebruik in beginsel geen probleem. Over die materialen is het dan niet nodig ons heel druk te maken. Maar bij materialen waarbij gebruik leidt tot schade aan het ecosysteem, zoals bijvoorbeeld het huidige grootschalige gebruik van fossiele grondstoffen, moet wel degelijk nagedacht worden over het gebruik. Vraag is of bij deze ‘verbruiksgrondstoffen’ een  materialenpaspoort zin heeft. Na gebruik is het materiaal immers verbruikt of zo gedegenereerd dat financiële of ecologische waarde is verlopen. Natuurlijk zijn er ook materialen die hun waarde behouden. Maar per definitie is dit niet een absoluut gegeven.

De benadering van waarde van materiaal is, zoals Rau en Oberhuber doen in hun boek, niet te vergelijken met menselijke waarde. Bij leven is de waarde van een individu relatief oneindig en absoluut. Na menselijk overlijden is er geen waarde meer. Bij materialen is er bij gebruik sprake van degeneratie en subjectieve waarde. Maar tussen de waardering van het menselijk en materiele bestaan grote  verschillen. Dit alles maakt de benadering van de auteurs lastig. Want hoe waarderen we materialen in hun paspoort met het oog op hun levensduur?

Die waardering door de tijd heen is van cruciaal belang om de prikkels in het systeem op de juiste wijze een plek te geven. Mogelijk hebben zij nog een lineair marktsysteem in gedachten. Het is dat systeem dat materialen in de kringloop moet houden. Als er geen markt is en geen criterium van waarde, dan wordt waardebepaling van materie in de tijd wel lastig.

Maar er zijn meer lastige vraagstukken. Hoe om te gaan met de degeneratie van materialen (in het meest extreme geval dat er na een keer gebruik niets meer overblijft)? Of is het mogelijk een materialenpaspoort toe te kennen aan fossiele brandstoffen? Of aan voedsel? Wat is de waarderingsgrondslag van het materialenpaspoort van hout? Of van zoiets simpels als water? Vragen te over die in een de debat over de CE nog niet echt op de agenda staan maar er wel toe doen.

Grondstoffen in bruikleen

Naast het idee van een materialenpaspoort, is een ander belangrijk punt van Rau en Oberhuber dat materialen niet in bezit moeten zijn, maar slechts in bruikleen moeten worden gegeven. Het idee daarbij is dat dan anders wordt omgegaan met materialen. In plaats van dat producenten er baat bij hebben zoveel mogelijk spullen te maken – en daarbij veel materialen te gebruiken om met een zo hoog mogelijke omloopsnelheid te verkopen, hebben ze er belang bij spullen te maken die zo lang mogelijk mee gaan. Immers, ze verdienen niet aan de materialen, maar aan de toegevoegde waarde die ze leveren door arbeid, service en ideeën.

Dit idee krijgt op allerlei plaatsen al aandacht wat leidt tot verdere verdieping. De studies over product-als-dienst modellen, deeleconomie en wat dies meer zij staat volop in de belangstelling. Rau en Oberhuber voegen daar een belangrijke vereiste aan toe: de producent moet eigenaar blijven van de materialen. Alleen zo kan hij of zij de volledige verantwoordelijkheid nemen voor de levensduur van het materiaal. Leasemodellen voldoen niet aan deze eis. De auteurs stappen echter wel wat makkelijk over een aantal beperkingen heen die dit model met zich meebrengt. Zo zorgt slijtage van materialen voor een duidelijke grens aan zo’n model. Wie neemt er de verantwoordelijkheid voor de levensduur van voedsel? Of een krant, een plastic flesje of een autoband? Daarnaast zitten er ook nog wat praktische bezwaren aan zo’n model. Te denken valt aan o.a. de modegevoeligheid, de kwetsbaarheid van producten, de controle over gebruik (als je alleen huurt kan het zijn dat je anders omgaat met een product), et cetera. Voor consumenten is de afweging voor een dienst of een product vaak lastig. Zij weten niet wat de onderhoudskosten of gebruikskosten zijn, dus een geïnformeerde financiële afweging is dan lastig.

Niet in de laatste plaats heeft bezit ook een functie: hebben zorgt voor zekerheid en niet zelden zorg. Voor goederen die iemand soms of onregelmatig nodig heeft, is individueel bezit efficiënter dan product als dienst modellen. En in alle nuchterheid: het hebben van sommige spullen geeft ook status. Dat is door de eeuwen altijd zo geweest.

Een goede discussie, nog genoeg te doen

Het boek van Thomas Rau en Sabine Oberhuber  zet aan tot het verder denken over de mogelijkheden en onmogelijkheden van kringlopen van materialen. Hoe meer we daarover denken, des te lastiger het wordt. Maar wellicht komt dat omdat wij als auteurs nog steeds te lineair denken. Of misschien is het allemaal niet zo ingewikkeld. We laten ons het graag nog een keer uitleggen, met alle mitsen en maren van dien.

Door: Hans Stegeman en Jan Jonker

Hans Stegeman werkt bij Triodos Investment Management. Daarnaast werkt hij aan een proefschrift over de macro-economie van de circulaire economie aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Samen met Jan Jonker, Niels Faber en Ivo Kothman heeft hij in 2016-2017 onderzoek uitgevoerd naar de stand van het land rond de Circulaire Economie en Business Modellen in het bijzonder. In mei vindt een landelijk slotcongres van dat onderzoek plaats. Aanmelden kan hier: http://bit.ly/2lOX3Ex

Eerdere berichten over de Circulaire Economie:

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels