artikel

Niels Faber en Jan Jonker: Product, duurzaam of circulair?

Innovatie

Bij het kopen van producten zijn consumenten onderhand redelijk gewend geraakt aan de verschillende labels die iets zeggen over herkomst, samenstelling en de mate van duurzaamheid. Zo geeft het ‘bio’-predicaat aan dat voedingsmiddelen op basis van bepaalde biologische principes tot stand zijn gekomen. Dat betekent zoveel als dat deze zijn verbouwd zonder gebruik te maken van kunstmatige toevoegingen of beschermingsmiddelen. Of andere labels als ‘fair trade’ of ‘UTZ’. Deze geven aan dat de productieketen voldoet aan sociale duurzaamheidseisen. Dankzij een explosieve groei is het aantal labels en predicaten nogal verwarrend. Wat dekt nu wat? Waar staat een bepaald logo voor? Maar desalniettemin tracht deze trend om duurzaamheid te labelen enig houvast te geven bij het maken van bewustere keuzes door de consument. Met de opkomst van de Circulaire Economie (CE) is het aannemelijk dat een soortgelijke ontwikkeling van certificeringen, labels, enzovoorts te verwachten is. Deze zouden dan moeten aangeven wat de mate van circulariteit van een bepaald product is. Hoe wordt dan echter die maat bepaald? Wat is dan een circulair product? En waar ligt het verschil met ‘gewone’ duurzame producten?

Niels Faber en Jan Jonker: Product, duurzaam of circulair?
Is een product duurzaam of circulair?

Door: Niels Faber en Jan Jonker

Minder slecht

Al snel na het wereldkundig maken van de beperkingen van onze planeet door de Club van Rome (1968) en ondersteund door vele tijdgenoten is de gedachtevorming over duurzaamheid en producten begonnen. Zo is in die periode het idee van eco-efficiëntie ontstaan; minder en zuiniger gebruik van grondstoffen, energie en chemicaliën. Dat idee is voor het eerste uitgewerkt op macro-economisch niveau door McIntyre en Thornton (1987). Zij openden het debat met de vraag hoeveel vervuiling de economie eigenlijk zou mogen genereren, zodanig dat deze nog door de aarde gedragen zou kunnen worden. De World Business Council for Sustainable Development (WBCSD) heeft vervolgens het begrip eco-efficiëntie in 1992 doorontwikkeld en daarna is deze leidend geworden bij het ontwerpen van duurzame producten.

Vanaf dat moment wordt er gesproken over de impact die producten en diensten hebben op de planeet. Het gaat dan niet alleen meer om de vervuiling die een product aanricht aan het einde van de levenscyclus. Ook het winnen en gebruiken van natuurlijke grondstoffen gedurende de gehele levenscyclus komen in beeld. Dat is terug te zien in de zogeheten levenscyclusanalyse methode (LCA). Eco-efficiëntie in de volle breedte betekent expliciet het voortdurend terugdringen van impact, tegen concurrerende prijzen. De idee van eco-efficiëntie is in uiteenlopende domeinen toegepast, waaronder de maak-industrie, dienstverlening, maar ook de landbouw. Eco-efficiëntie is en blijft echter een hulpmiddel om duurzamere producten te realiseren binnen een lineaire economie. Het proces van winning-productie-verkoop-consumptie-afdanken blijft centraal staan en ook principes als ‘planned obsolescence’ en ‘perceived obsolescence’ blijven gehandhaafd. De belangrijkste kritiek op eco-efficiëntie en daarmee op duurzame producten is dan ook dat dit een methode is voor ‘minder slecht’, en zeker niet voor ‘goed’. Duurzame producten ‘leven’ feitelijk in een recycling- en wegwerpeconomie

Behoud van waarde

In 1977 formuleerde Stahel de eerste gedachten over een andere inrichting van de economie, een inrichting gebaseerd op gesloten (materiële) kringlopen. Dit is later o.a. vertaald in het ‘Cradle-to-Cradle’ (C2C) concept maar komt ook terug in bijvoorbeeld de ‘Blue Economy’. Recent is het gangbaar geworden deze verschillende stromingen onder de paraplu van de Circulaire Economie (CE) te scharen. Producten worden vanuit dit denken zodanig ontworpen, dat hun impact op de planeet geminimaliseerd wordt en dat materialen die erin verwerkt zijn hun kwaliteit behouden en optimaal herbruikbaar zijn.

Centraal staat de idee dat grondstoffen zo lang mogelijk in gebruik moeten blijven in materialen, producten en systemen. In dat kader wordt binnen de CE gesproken over grondstof-, materiaal- en productkringlopen. Deze kringloopgedachte heeft drie belangrijke consequenties. In de eerste plaats worden afvalstromen minder. Grondstoffen en daarmee materialen en producten waarin deze zijn verwerkt blijven zoveel mogelijk behouden binnen de economie. Ten tweede, omdat er meer grondstoffen in de economie blijven en daar (her)gebruikt kunnen worden, vermindert de behoefte aan nieuwe grondstof. Ten derde, producten en materialen zijn door hun ontwerp (eenvoudig) te herstellen, te hergebruiken en zijn tot op grondstofniveau te recyclen, waardoor er minder nieuw gemaakt hoeft te worden.

Circulaire producten gaan dus nadrukkelijk verder in hun mate van duurzaamheid dan duurzame producten. Bij duurzame producten is de levensduurverlenging of de materiële herbruikbaarheid in beginsel geen onderdeel van het ontwerp. Behoud van grondstof en materiaal is niet persé nodig, als een eenmaal afgedankt product maar niet voor te hoge schade aan het milieu zorgt. Voor circulaire producten is de levensduur juist wel van belang. Doel is deze zo lang mogelijk te maken. Daarom kunnen circulaire producten slechts bestaan binnen een economie waarin recycling, reparatie en hergebruik basisprincipes op zowel bedrijfs- (micro), keten- (meso) als systeemniveau (macro) zijn.

Van duurzaam naar circulair

Op het eerste gezicht hebben duurzame en circulaire producten veel gemeen. Op een abstract (meta)niveau is dat ook zo. Maar een nadere analyse laat zien dat zij tot stand komen op basis van totaal verschillende economische denkbeelden. De transitie van een lineaire economie naar een circulaire economie die momenteel mee-stribbelend vorm krijgt, stoelt op de vorming van een complex geheel van allerlei grote en kleine kringlopen die ineengrijpen. Dit zal ingrijpende gevolgen hebben voor de wijze waarop producten ontwikkeld en gemaakt worden. En dan is eco-efficiëntie niet meer voldoende. Naast het zuinig omspringen met grondstoffen en energie, zal ook tegelijkertijd nagedacht moeten worden over repareerbaarheid, vervangbaarheid, en de herwinbaarheid van producten, materialen en grondstoffen. Gezien de huidige aandacht voor een transitie richting de CE, wordt het de hoogste tijd om de principes van eco-efficiëntie af te danken en te komen met ontwerpprincipes voor circulaire producten. Gelukkig wordt daar al volop aan gewerkt. En dat dat zal leiden tot een nieuwe generatie labels en certificering is alleen maar logisch.

 

Niels Faber is onderzoeker aan de Radboud Universiteit Nijmegen en docent aan de Hanzehogeschool Groningen. Zijn onderzoek concentreert zich op de organisatorische aspecten van duurzame ontwikkeling. Jan Jonker is hoogleraar Duurzaam Ondernemen aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Zijn werk concentreert zich op nieuwe business modellen in een veranderende economie. Samen met Hans Stegeman (Triodos Bank en promovendus RU) en Ivo Kothman (Radboud Universiteit) hebben zij in 2016-2017 een onderzoek uitgevoerd naar de stand van het land rond de Circulaire Economie en Business Modellen in het bijzonder. In mei vindt een landelijk slotcongres van dat onderzoek plaats. Aanmelden kan hier: http://bit.ly/2lOX3Ex

 

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels