artikel

Obsolescence en de Circulaire Economie

MVO

Het sturen op versnelde veroudering van producten met het oog op vervanging was en is een bewuste strategie.

Jan Jonker (linker foto) en Niels Faber graven verder (zie hun vorige artikel) naar de fundamenten van de Circulaire Economie en gaan bijna 100 jaar terug in de tijd. Daar komen ze het beginsel ‘obsolescence’ tegen. Dat betekent zoveel als: bewust sturen op versnelde veroudering van producten met het oog op vervanging. Naar blijkt is dat beginsel nog steeds springlevend en vormt het de grondslag voor onze huidige economie. Daardoor staat het de opkomst van een circulaire economie breeduit in de weg.

Even wat historie …
Verschillende bronnen geven aan dat vermoedelijk de eerst aanwijsbare auteur die de term obsolescence heeft gebruikt de Amerikaan Bernard London (1932) is in zijn paper ‘Ending the depression through planned obsolescence’. Kernboodschap van dat paper is het bestrijden van werkloosheid en economische depressie door producten, gebouwen, voertuigen, enzovoort bewust een beperkte levensduur te geven. Dit leidt ertoe dat ze bewust en gepland sneller stuk gaan, niet eenvoudig te repareren zijn en dus vervangen moeten worden. Essentie is het stimuleren van consumptie en het ontmoedigen van reparatie en hergebruik. Deze gedachte wordt geformuleerd ten tijde van de Grote Depressie met als doel de economie weer vlot te trekken. Daarmee wordt voor het eerst heel bewust invulling gegeven aan een beginsel dat gaandeweg een ‘wetmatigheid’ zou worden.

Na de Tweede Wereldoorlog wordt het beginsel herontdekt door Brooks Stevens (1954) die het nieuw leven inblaast en aanvulde met de stelling: ‘… instilling in the buyer the desire to own something a little newer, a little better, a little sooner than is necessary’. Kort daarop wordt het kritisch onder de loep genomen door Vance Packard (1960) in zijn publicatie The Waste Makers. Zijn centrale boodschap was dat het gaat om: ‘the systematic attempt of business to make us wasteful, debt-ridden, permanently discontented individuals’. Maar dan is het kwaad al geschiedt en doorgedrongen in ons economisch doen en laten. Het beginsel is een ‘Law of Obsolesence’ geworden.

… Terug naar nu
Terugkijkend blijkt dat vanaf het midden van de vorige eeuw de Law of Obsolescence de solide basis is geweest voor onze moderne economie. Groei betekent meer maken, meer verkopen, meer gebruiken, geplande verkorting van de levenscycli, slechte of onrendabele repareerbaarheid met als gevolg meer weggooien (en dus systematisch verspillen met het oog op economische groei). Macro-economische groeicijfers geven al decennia lang een indicatie voor de mate waarin deze macro-cyclus al dan niet succesvol is.

Het beginsel van obsolescence is inmiddels volwassen geworden en heeft zich genesteld in ontwerp- en productiecycli, in de besturingssystemen van organisaties, in de wijze waarop we boekhouden en in de indicatoren voor BNP, om maar een paar concrete domeinen te noemen. De brede verspreiding van het beginsel van ‘obsolescence heeft geleid tot een economische inrichting ten faveure van hyper-consumptie. Slimmigheden als ingebouwde niet-repareerbaarheid zorgen er bij consumentenproducten voor dat kapot ook echt het einde van een product betekent.

Dat heeft als consequentie dat er sprake is van obsolescence onder meer op het terrein van stijl, ontwerp, systemen, organisatie, financiering en niet in de laatste plaats gedrag van consumenten. Was het niet president George W. Bush die na de aanslagen van 09/11 de Amerikaanse bevolking een hart onder de riem stak door alle burgers aan te moedigen weer te gaan consumeren.

Er is een expliciet maatschappelijk ideaalbeeld ontstaan waarbij de motor van de welvaart consumptie is – met de impliciete aanname dat de planeet oneindige hulpbronnen aanreikt om dat mogelijk te maken. Gelukkig breekt het besef steeds breder door dat dit een drogredenering is met grote negatieve gevolgen. Tegen die achtergrond wordt het steeds helderder waarom we het nu over duurzaamheid en circulaire economie (moeten) hebben. Maar de grote verbouwing op weg naar een andere economische inrichting is nog maar amper begonnen.

Op naar morgen
Het wordt dus dringend tijd om het tegenovergestelde van obsolesence te bedenken en te vertalen naar ontwerpen en systemen. Dat zal nog niet meevallen, gelet op de overweldigende plek die het nu en vandaag inneemt in al ons economische handelen. Om daar toch een begin mee te maken moeten we misschien eerst een nieuw woord bedenken. Nieuwe woorden helpen immers anders denken. Een woord dat tegen de betekenis van ‘re-use’ en ‘re-vitalize’ aanschurkt. Zo is het dan ook verbonden met de circulaire economie. Dat nog te bedenken woord zullen we vervolgens verder moeten ‘laden’ met de notie van ‘kringlopen’. En ja, we hadden al het toch best wel lastige begrip ‘duurzaamheid’; dat moet er ook een betekenisvol plekje in krijgen. Alles bij elkaar komen we dan uit op iets als het ‘bewust bruikbaar houden’ van spullen. Toegegeven, nog niet echt mooi en ook nog niet één woord. Mogen we u daarom uitnodigen om met suggesties te komen. We zien graag uw reacties komen.

Jan Jonker is hoogleraar Duurzaam Ondernemen aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Zijn werk concentreert zich op drie samenhangende thema’s: de nieuwe economie oftewel de WEconomy, het ontwikkelen van nieuwe business modellen en het anders denken over geld oftewel ‘hybride bankieren’. Zijn meest recente bestseller is het boek ‘Nieuwe Business Modellen: Samen Werken aan Waardecreatie’ ( 2014). Momenteel werkt hij aan een pilot-onderzoek over Business Modellen voor de Circulaire Economie in Oost Nederland.

Niels Faber is onderzoeker aan de Radboud Universiteit Nijmegen en docent aan de Hanzehogeschool Groningen. Sinds 2002 doet hij onderzoek op het gebied van sociale duurzaamheid, met een focus op kennismanagement, organisatievormen, besluitvorming en duurzaamheid. Hij is auteur van meer dan 50 publicaties, inclusief boeken, boekhoofdstukken en artikelen en conferentie bijdragen. Zijn onderzoeksfocus ligt op emergente vormen van organiseren rond duurzaamheid en duurzame besluitvorming.

Reageer op dit artikel